‘Aan zo’n dunne instrumentatie waren de muzikanten niet gewend’

‘Aan zo’n dunne instrumentatie waren de muzikanten niet gewend’

Rob Goorhuis is al ruim 40 jaar een van de toonaangevende componisten in de wereld van de blaasmuziek. In een eigen idioom schrijft hij werken voor uiteenlopende bezettingen. Zijn vernieuwende impulsen voor de Nederlandse blaasmuziek hebben in hoge mate bijgedragen aan de ontwikkeling van het repertoire. Goorhuis is in binnen- en buitenland een veelgevraagd jurylid bij concoursen van blaasorkesten en koren. Voor zijn verdiensten voor de Nederlandse blaasmuziek ontving hij vele prijzen en onderscheidingen. In 2006 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Speciaal voor KNMO Klankwijzer onderhoudt hij in de rubriek Muziekmarkt een blog waarin hij vertelt over zijn werk als componist.

In deze nieuwe serie haalt hij herinneringen op uit het begin van zijn creatieve carrière in de blaasmuziek.

Piebe Bakker en het Concertino voor fanfare (1)

“Succes is alleen maar een kwestie van geluk. Vraag het maar aan eender welke mislukkeling” – Robert Anthony

Mijn eerste fanfarewerk werd dus in 1977 geschreven voor het Nationaal Jeugdkorps, destijds het jeugdorkest van de Nederlandse Federatie van Christelijke Muziekbonden. Het orkest had naam en faam. In 1976 werd de Grote Prijs van Wenen gewonnen. Het orkest toerde in de 70-er jaren door een aantal Europese landen: Engeland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden, België en Duitsland. Eind 80-er jaren werd zelfs een concertreis naar de Verenigde Staten gemaakt. Piebe Bakker was sinds 1964 de grote man, dirigent en promotor van dit orkest dat bestond uit de beste jonge amateur-muzikanten van het land.

In een vooroverleg over de uitwerking van de compositieopdracht gaf hij aan dat hij graag zoiets zou willen als het Concert voor orkest van Béla Bartók. Daar kon ik vanzelfsprekend maar zeer ten dele aan voldoen. Zoveel zelfkennis had ik wel. Toen het eerste deel van mijn Concertino af was, vroeg Piebe of ik naar een repetitieweekend in Hattem wilde komen om kennis te maken met het orkest. In de gang stond een oude piano. Daarop heb ik zo goed en zo kwaad als het ging een indruk gegeven. De bestuursleden stonden er wat meewarig bij te kijken, maar Piebe was enthousiast. Het was een nieuw geluid, vond hij. Alleen moest ik in het tweede deel ook maar eens het hele orkest gelijktijdig laten spelen. Aan zo’n dunne instrumentatie waren de muzikanten volgens hem niet gewend. Wat meer tutti zou welkom zijn. Het middendeel werd daarom voor het grootste gedeelte homofoon gezet. In het laatste deel deed ik weer mijn eigen zin. Piebe toonde zich tevreden over het stuk, maar wachtte lang met een eerste uitvoering. Ik vermoed dat hij toch wat meer moeite had met mijn noten dan hij openlijk wilde laten merken. Hij was wel een voorstander van vernieuwing, maar het moest binnen bepaalde perken blijven. Hij had meer op met de muziek van Henk van Lijnschooten, Kees Vlak, Willy Hautvast en Jacob de Haan. Jaren later bekritiseerde hij mijn Passion et Tendresse vanwege de vele ‘onnatuurlijke’ maatwisselingen. Hij vond het gekunsteld. We zaten wat dat betreft op een verschillende golflengte.

Het Concertino voor fanfare beleefde zijn première in de Oosterpoort in Groningen. Helaas, de organisatie vergat mij uit te nodigen. Later speelde Piebe het werk in de Philharmonie in Haarlem. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, verband houdende met lang op rood staande verkeerslichten en onhandig eenrichtingsverkeer in de binnenstad, heb ik de zaal toen niet tijdig kunnen bereiken. Ik heb het stuk nooit door Piebe horen uitvoeren. Jammer!

Toch had Piebe Bakker wel een zwak voor mij. Hij zag wel iets in mij. Hij droeg mij voor om jurylid te worden bij de concertconcoursen en daar kwam ik hem regelmatig tegen, altijd goed gemutst en vol met sterke verhalen. Piebe is in mijn begintijd als jurylid een gids voor mij geweest. In zijn verslagen was hij tactvol, maar kritisch. Ik kreeg de indruk dat hij, overal waar hij kwam, iedereen kende. Ik denk dat zijn spontaneïteit en hartelijke uitstraling veel mensen aansprak. Hij was altijd een gezellige gast aan tafel tijdens de dinertjes na afloop van de concoursen. Hij kende ook alle adresjes. “Rij maar achter mij aan, dan hoef je niet te zoeken”, en ik moest driemaal door een rood verkeerslicht rijden om hem niet kwijt te raken.

Na 25 jaar dirigent van het Nationaal Jeugdkorps, inmiddels omgedoopt tot Nationaal Jeugd Fanfare Orkest, te zijn geweest nam hij in 1989 afscheid en werd opgevolgd door Danny Oosterman.

Rob Goorhuis

Gepubliceerd: 11 JUN 2020 - 18:13
Laatste update: 11 JUN 2020 - 18:14