"Een werk voor een fanfare: het leek me niet zo’n goed idee"

Rob Goorhuis is al 40 jaar een van de toonaangevende componisten in de wereld van de blaasmuziek. In een eigen idioom schrijft hij werken voor uiteenlopende bezettingen. Zijn vernieuwende impulsen voor de Nederlandse blaasmuziek hebben in hoge mate bijgedragen aan de ontwikkeling van het repertoire. Goorhuis is in binnen- en buitenland een veelgevraagd jurylid bij concoursen van blaasorkesten en koren. Voor zijn verdiensten voor de Nederlandse blaasmuziek ontving hij vele prijzen en onderscheidingen. In 2006 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Speciaal voor KNMO Klankwijzer onderhoudt hij in de rubriek Muziekmarkt een blog waarin hij vertelt over zijn werk als componist.

Aan de serie Componeren geeft de componist een wat meer persoonlijk tintje. Wat betekent componeren voor hem? Wat heeft het ertoe gebracht om te gaan componeren?

Componeren (4)

Ik had als orgelsolist een optreden in de grote kerk van Wijk bij Duurstede, waar ik met strijkorkest een concert van de Boheemse componist Johann Baptist Vanhal uitvoerde. Na afloop van het concert kwam er een geïnteresseerde man naar mij toe, die zich voorstelde als Rocus van Yperen. Hij had van het concert genoten, maar wou het met mij over iets geheel anders hebben. Zou ik misschien geïnteresseerd zijn in een compositieopdracht. Hij achtte mij volgens zijn zeggen in staat een werk voor fanfareorkest te schrijven.

Ik werd er door overvallen. Bovendien kende ik de goede man niet. Ik had na een concert wel vaker zwamneuzen aan mijn fiets hangen, die vooral naar mij toe kwamen om me te vertellen hoe belangrijk zij wel niet waren. Ook deze man had een staat van dienst. Hij was voorzitter van de Raad voor de Kunst, voormalig dirigent van de Koninklijke Militaire Kapel en dirigent van een aantal, niet de minste, koren in Den Haag. Dat rolde er allemaal binnen een paar minuten uit, niet op een pocherige manier, zeker niet, meer als nuttige informatie voor een leek als ik. Toch leek het mij niet zo’n goed idee. Wat wist ik nou van fanfare. Ik gaf de man in overweging naar een ander slachtoffer om te zien.

Dat ik hem niet kende werd echter snel duidelijk. Dit was iemand die niet zomaar opgaf. En invloedrijk was hij beslist. Ongeveer tien dagen na ons onderhoud viel er bij mij een enveloppe van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk - CRM op de mat. In de brief stond dat ik werd uitgenodigd een compositie te vervaardigen voor het Nationaal Jeugdkorps. Er werd mij een in mijn ogen riante schadevergoeding in het vooruitzicht gesteld voor de te verrichten arbeid. Ik was verkocht. Geld verdienen met het schrijven van een stuk, wie had dat ooit kunnen denken. Tot die tijd had ik altijd alles voor de eer gemaakt. Ik was in de zevende hemel. Dit werd het eerste van een lange reeks werken voor blaasorkest, maar dat wist ik toen nog niet natuurlijk.

Rocus van Yperen maakte vanaf dat moment overigens vele malen gebruik van mijn diensten als begeleider en continuospeler bij zijn koren in Den Haag en Wijk bij Duurstede. Voor zijn 50-jarig dirigentenjubileum mocht ik een speciaal werk schrijven dat tijdens het jubileumconcert werd uitgevoerd in de Anton Philipszaal in Den Haag door de mezzosopraan Annett Andriessen en zijn gezamenlijke Haagse koren met medewerking van het Residentieorkest. Dit werk draagt de toepasselijke titel ‘Il Trovatore’, de minstreel.

Rob Goorhuis

Gepubliceerd: 06 FEB 2020 - 14:53