'Het begin van mijn creatieve loopbaan in de blaasmuziek'

'Het begin van mijn creatieve loopbaan in de blaasmuziek'

Rob Goorhuis is al ruim 40 jaar een van de toonaangevende componisten in de wereld van de blaasmuziek. In een eigen idioom schrijft hij werken voor uiteenlopende bezettingen. Zijn vernieuwende impulsen voor de Nederlandse blaasmuziek hebben in hoge mate bijgedragen aan de ontwikkeling van het repertoire. Goorhuis is in binnen- en buitenland een veelgevraagd jurylid bij concoursen van blaasorkesten en koren. Voor zijn verdiensten voor de Nederlandse blaasmuziek ontving hij vele prijzen en onderscheidingen. In 2006 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Speciaal voor KNMO Klankwijzer onderhoudt hij in de rubriek Muziekmarkt een blog waarin hij vertelt over zijn werk als componist.

In deze nieuwe serie haalt hij herinneringen op uit het begin van zijn creatieve carrière in de blaasmuziek.

Piebe Bakker en het Concertino voor fanfare (3)

Bij het schrijven van het Concertino voor fanfare heb ik bewust de individuele kleuren van de instrumenten van het fanfareorkest blootgelegd. Piebe Bakker had gevraagd om iets in de trant van Bartók’s Concert voor Orkest te maken. Dat heb ik geprobeerd. Maar ik heb het beknopter en eenvoudiger gehouden. Dat was geen beperking voor mij. Ik kon toen niet anders. Toch was het werk destijds voor de hoogste afdeling van de concours-piramide een hele kluif.

De langzame inleiding van het eerste deel is gebaseerd op een tastend thema zoals ook Bartók dat ontworpen zou kunnen hebben. Ik noem het een cirkelmotief. De beweging draait als het ware rond om een denkbeeldige toon. Solo’s in hoorn, saxofoons en trompet-trio geven de kleur. Het zachte koper trekt de lijnen. In een wat schonkige beweging met daardoorheen gemarkeerde octaven van het scherpe koper wordt vanuit de inleiding het eerste thema van de sonatevorm bereikt. Het thema is kort. Het bestaat uit korte motieven, die ook een soort cirkeltjes trekken. Na 12 maten is het al voorbij en zet het divertimento in: geen cirkeltjes meer, maar motiefjes, omgebogen tot rechte lijntjes, wel verwant, maar toch anders. Ik zie in miniatuur al mijn latere schrijfwijze van alternerende motieven en over elkaar heen buitelende instrumenten. Het tweede thema is langzaam, meditatief, zo zou Barók het ook hebben gedaan (maar dan mooier, beter, inventiever natuurlijk). De altsaxofoon tast in portato duolen de 3/8 maat af. De Eb cornet neemt het over, werpt nieuw licht op hetzelfde thema. Mooi is dat om zo je eigen werk te analyseren. Maar hier laat ik het verder bij. Het gaat er uiteindelijk niet zozeer om hoe het in elkaar zit, maar hoe het klinkt.

Wat verwarrend is in deze partituur, is dat de hoorns in Es genoteerd staan, terwijl hoorns in F bedoeld zijn. Bij de inzet van de coda schrijf ik een 4-stemmig hoorngedeelte. De vierde hoorn loopt zo laag dat het op een hoorn in Es onmogelijk te spelen is. Voor de F hoorns was het al een hele opgave. Veel dirigenten schreven dit gedeelte om naar de tenortuba’s, begrijpelijk. Ten tijde van het ontstaan van dit stuk zaten er nog veel alt- en stellahoorns in de orkesten. Deze stellahoorns stonden net als de althoorns in Es. Alleen waren het onmogelijke instrumenten. Ze zagen er ongeveer uit als hoorns, maar werden verkeerd om geblazen en klonken als lage trompetten. Dan vond ik de althoorns persoonlijk mooier klinken en beter voegen. Uiteindelijk verdwenen beide hoorns uit het fanfareorkest, mede onder invloed van Piebe Bakker, en werden ze vervangen door de dubbelhoorns, een tijd lang door de amateurmuzikanten waldhoorns genoemd. De althoorn, die in Engeland overigens ‘tenor horn’ wordt genoemd, bestaat nog steeds als het altinstrument in de brassband. De stellahoorn is gelukkig in het museum bijgezet.

Het tweede deel van het Concertino is een Lamento in 5/8 maat met over elkaar schuivende metrische lagen, ingevolge Piebe’s wens, in een Tutti-instrumentatie. De Finale is een vrolijk rondo met een hoofdrol voor de xylofoon. Halverwege stokt de beweging en komt een passage van klank en bezinning. Daarna gaat het opgewekt verder en onbezorgd wordt de slotstreep bereikt. Deze finish was het eigenlijke begin van mijn creatieve loopbaan in de blaasmuziek.

Rob Goorhuis

 

Gepubliceerd: 24 SEP 2020 - 17:03