Het verhaal achter Passion et Tendresse

Het verhaal achter Passion et Tendresse

Rob Goorhuis is al ruim 40 jaar een van de toonaangevende componisten in de wereld van de blaasmuziek. In een eigen idioom schrijft hij werken voor uiteenlopende bezettingen. Zijn vernieuwende impulsen voor de Nederlandse blaasmuziek hebben in hoge mate bijgedragen aan de ontwikkeling van het repertoire. Goorhuis is in binnen- en buitenland een veelgevraagd jurylid bij concoursen van blaasorkesten en koren. Voor zijn verdiensten voor de Nederlandse blaasmuziek ontving hij vele prijzen en onderscheidingen. In 2006 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Speciaal voor KNMO Klankwijzer onderhoudt hij in de rubriek Muziekmarkt een blog waarin hij vertelt over zijn werk als componist.

In een nieuwe serie blogs haalt componist Rob Goorhuis herinneringen op aan zijn samenwerking met fanfare Sint Caecilia uit Schimmert en dirigent Sef Pijpers.

Na de succesvolle uitvoering van de Sonate in 1987 volgde voor het bondsconcours van 1990 de tweede opdracht. Ik werd voor het eerst geconfronteerd met de vraag om iets te maken wat niet alleen nieuw was, maar ook zeer moeilijk. Het behalen van de zege was een prestigekwestie. Men wilde gewoon de beste zijn en de beste blijven. Er werd keihard voor gewerkt. Een moeilijk stuk zou indruk maken. Hoe gecompliceerd dit ook zou zijn, het zou overwonnen worden ten koste van alles. Er was zoveel drijfveer, zoveel ijver en zoveel passie…

Passion et Tendresse werd volgens hetzelfde stramien opgezet als de Sonate, maar dan zonder een langzame inleiding. Het begin moest overrompelend zijn. De eerste klap was een daalder waard.

Ik ging uit van het secunde-interval als materiaal voor het hele werk. Voor de snelle delen werd de kleine secunde als uitgangspunt genomen, voor de langzame passages was dat de grote secunde. De motivische verwerking vertoonde gelijkenis met de werkwijze in het Concertino en de Sonate. Het hoofdthema bezat een grillige beweging met veel lastige maatwisselingen, terwijl het contrasterende gegeven in een stabiele 2/2 maat contempleerde. Hier kwam echter ook een ander element om de hoek kijken.

Noël Speetjens had gevraagd om twee solo’s in het werk, één voor trompet, die gespeeld zou worden door zijn zoon Marc, en één voor zijn zoon Richard, die hoorn speelde. Zo kwam er in het langzame middendeel volgens het Sonaterecept een trompetsolo, gebaseerd op het idee van de grote secunde. Velen hoorden daarin een gelijkenis met het thema van het middendeel uit het Concierto de Aranjuez van de blinde componist Joaquin Rodrigo (1901 tot 1999). Toch heb ik bij het schrijven geen moment een associatie met dit prachtige muziekwerk gehad. De ‘herkenning’ door het publiek stoelde vooral op de mordent waarmee mijn thema opent. De ontspannen, volledig tot rust gekomen beweging creëert de bedding waarin een aan het gitaarconcert verwante sfeer wordt opgeroepen en deed dus de rest. Had ik de mordent op heroïsche wijze gebruikt, zoals Bach in zijn beroemde Toccata et Fuga, dan had men waarschijnlijk een daaraan gerelateerde beleving gehad.

Toen Jan Cober enige jaren later de harmonieversie van dit werk met het Nationaal Jeugd Harmonie Orkest speelde in de arena van Valencia, stoof het publiek midden in de uitvoering overeind met een daverend applaus. Beschouwde men de ‘verwijzing’ naar Rodrigo’s gitaarconcert als een ode aan de Spaanse muziek? Heerlijk, zo’n spontaan en temperamentvol publiek!

Het is apart, dat mensen in muziek iets kunnen horen wat de maker ervan niet heeft bedoeld. Het wordt me vaak gevraagd: “Kunt u vertellen, wat u hiermee bedoeld heeft?”. Nee, dat kan ik u niet vertellen. Luister maar en onderga het, en als het kan, geniet ervan.

Toen het stuk klaar was, kwamen er twee reacties. Ik was vergeten een hoornsolo in het werk op te nemen en het gedeelte met de maatwisselingen, was dat wel goed gelukt, was dat zo bedoeld? Dat “klonk” namelijk niet. Over het tweede punt maakte ik me geen zorgen. De tijd zou het leren. Maar wat betreft het eerste schrok ik me een hoedje. Ik was de hoornsolo vergeten. Hoe loste ik dat op?

Na enig gepieker kreeg ik een lumineus idee. Ik knipte met een schaar de laatste acht maten van mijn partituur af en plakte een leeg vel muziekpapier aan het blad, waar ik het slot vanaf had gehaald. Het stuk werd geopereerd. De heftig stuwende beweging van het slotgedeelte stokte abrupt op de plek,  waar ik er de schaar in had gezet. In de lege ingevoegde maten schreef ik voor alle hoorns en alle euphoniums een unisono mordent in een forte fortissimo, dat op een lange toon diminueerde naar piano. Uit deze laatste aangehouden toon kwam de solohoorn tevoorschijn met een mijmerende reminiscentie aan het thema voor broer Marc. Ook Richard Speetjens had zijn solo. Hij kreeg zelfs het laatste woord. Na de ingreep werd het stuk besloten met de er afgeknipte maten. Even hechten en klaar was de kees.

Na enige weken bleek ook het probleem van de passages met de vele maatwisselingen te zijn opgelost. Het was eigenlijk alleen maar even wennen voor ze. In eerste instantie hadden ze het meer gezien als een slagtechniekoefening voor de dirigent en een teloefening voor de muzikanten. Maar na een paar weken begon het toch muziek te worden.

De officiële première in het MECC te Maastricht was succesvol. Een eerste prijs met lof van de jury en een startbewijs voor de landskampioenschappen van 1991 vormden de beloning voor de muzikale prestatie. Een paar maanden later prolongeerde St. Caecilia haar landstitel in de Nobelaer te Etten-Leur.

Rob Goorhuis

Gepubliceerd: 01 MAA 2021 - 16:10