Hoe klinkt fuga van Bach achterstevoren?

Hoe klinkt fuga van Bach achterstevoren?

Rob Goorhuis is al 40 jaar een van de toonaangevende componisten in de wereld van de blaasmuziek. In een eigen idioom schrijft hij werken voor uiteenlopende bezettingen. Zijn vernieuwende impulsen voor de Nederlandse blaasmuziek hebben in hoge mate bijgedragen aan de ontwikkeling van het repertoire. Goorhuis is in binnen- en buitenland een veelgevraagd jurylid bij concoursen van blaasorkesten en koren. Voor zijn verdiensten voor de Nederlandse blaasmuziek ontving hij vele prijzen en onderscheidingen. In 2006 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Speciaal voor KNMO Klankwijzer onderhoudt hij in de rubriek Muziekmarkt een blog waarin hij vertelt over zijn werk als componist.

Aan deze nieuwe reeks geeft de componist een wat meer persoonlijk tintje. Wat betekent componeren voor hem? Wat heeft het ertoe gebracht om te gaan componeren?

Componeren (2)

Muziekstukjes schrijven deed ik vanaf mijn eerste pianoles. Ik was toen dertien jaar oud. Na de eerste les ging ik naar huis om de stukjes te oefenen die ik had op gekregen. Daar was ik al snel op uitgekeken. Dus schreef ik in het muziekschriftje zelf ook een paar stukjes. Deze werden iets ingewikkelder dan de regeltjes die ik moest studeren en ik kon ze daardoor zelf niet spelen. “Dat doet mijn leraar wel voor mij” dacht ik, “als ik weer op les kom”. Met geveinsde tegenzin toverde Bernard Bartelink mijn eerste probeersels tevoorschijn. Ik vond het prachtig. “En nu ga je eerst maar eens heel hard piano studeren” zei hij. “Laat dat componeren voorlopig maar aan anderen over”.
Hij had wel meteen in de gaten dat er bij mij meer in zat dan alleen pianospelen. Al na een gering aantal lessen kreeg ik een boekje van Max Seiffert mee: Aufgaben für den Unterricht in der Harmonielehre. Elke week maakte ik twee opgaven uit dit in het hanenpotige Antiqua lettertype uitgevoerde bijbeltje. Wat er allemaal bij stond kon ik niet lezen, maar de opgaven maakte ik trouw vlak voor de les in het portiek van Jacob Obrechtstraat 37. Als ik ermee klaar was, belde ik aan en vloog de trap op om mijn kunsten te gaan vertonen.

In deze periode is bij mij de basis gelegd voor het samenstellen en ineenvoegen van muzikale elementen. Niet alleen de harmonieleer, maar ook de stukken die ik studeerde gaven mij veel informatie over allerlei muzikale mogelijkheden. Ik ging experimenteren met een fuga van Bach. Hoe zou zoiets klinken, als het achterstevoren werd gespeeld? Ik schreef het keurig netjes over. Achterstevoren lezen lukte niet. Op een klassenavond van school bracht ik mijn creatie ten gehore. De juffrouw Nederlands hoorde meteen dat het van Bach was. Dat was een tegenvaller. Je kon dus niet zomaar iemands stuk omdraaien en er je naam boven zetten. Ik moest zelf op zoek naar ideeën. Grappig is dat mijn collega Martin Ellerby mij eens toevertrouwde dat hij zijn eerste compositie door zijn moeder had laten maken. Dat was veel slimmer. Niemand had het in de gaten. Ook tegenwoordig roept hij nog vaak de hulp in van anderen, vooral bekende componisten uit het hoogromantische verleden, en gebruikt hij hun materiaal in dienst van zijn eigen briljante ideeën.

Bij mij is er altijd de wil geweest om zelf muziek te creëren. Jarenlang ben ik er mee bezig geweest zonder dat zich daarin een merkbare ontwikkeling voordeed. Misschien dat mijn chaotisch verlopen jeugd daaraan mede debet is geweest. Pas toen mijn leven in rustiger vaarwater kwam, begon zich iets af te tekenen van een vermogen tot het vormgeven van eigen muzikale ideeën. Mijn muziekstudie in Utrecht aan de Kerkmuziekschool bood mij volop mogelijkheden om mij te ontwikkelen. In de vijf jaar dat ik hier vertoefde kwamen er allerlei stukken tot stand in allerlei stijlen. Het waren meestal verzoeken van medestudenten, die voor hun vocale of instrumentale bijvakexamen ‘iets nieuws’ wilden hebben. Voor een paar eindexamens koordirectie schreef ik koorwerken. De in deze periode ontstane werkjes hebben weinig betekenis, maar ik noem toch even een paar titels: ‘Zingen’, een lied voor bariton en piano op tekst van Karel van de Woestijne, ‘De kiezentrekker’ op een Oud-Nederlandse tekst, eveneens voor bariton en piano, een partita voor orgel, Psalm 150 voor gemengd koor en orgel, ‘Een nieuw gebod’ voor driestemmig mannenkoor a capella, een Prelude voor piano en ‘En Rade’, een lied voor 2 mezzosopranen en piano op tekst van Jan Engelman. Na de slotstreep van dit duet staat geschreven: ‘voor Tonny Kuijt en Hilda Meerman, 5 januari 1967’. Ik kan me helaas niet meer herinneren wie deze meisjes waren. Vast en zeker had ik er een oogje op en hoopte ik dat ze met mij een muzikaal trio zouden willen vormen. Of dat er ooit van gekomen is, weet ik zelfs ook niet meer.
De genoemde stukjes ontstonden dus in de jaren 1967 tot 1971.

Rob Goorhuis

Gepubliceerd: 14 NOV 2019 - 10:13